Smeermiddelen
Geschiedenis:
Menigeen kan bij het zien van een auto de leeftijd
redelijk goed inschatten. Zeker bij een oldtimer. Dit
komt omdat het model, de vorm voor ons herkenbaar is. We
zijn er als het ware vertrouwd mee.
De ontwikkelingen bij motorolie zijn niet minder
revolutionair als de ontwikkeling van de eerste
oldtimers tot de huidige moderne auto's. Toch is de
vooruitgang in technologie en kwaliteit van motorolie
voor velen minder zichtbaar, bij velen zelfs onbekend.
Een fles blijft een fles en olie blijft een vormloze
goudkleurige vloeistof. Echter aan de kwaliteit van de
motorolie is in de afgelopen eeuw veel veranderd.
De geschiedenis van de smeermiddelen gaat terug tot de
oude Egyptenaren. Vanaf 2400 voor Christus gebruikten
zij als eerste dierlijke en plantaardige vetten en
oliën als smeermiddel bij allerhande werkzaamheden.
Tot het verschijnen van de eerste verbrandingsmotoren
(eind 19e eeuw) is de ontwikkeling van de olie slechts
langzaam verlopen. Sindsdien is de behoefte aan betere
smering en smeermiddelen snel toegenomen. Bij de huidige
stand van de techniek is een moderne vol synthetische
motorolie een echt hightech product geworden waarvan de
ontwikkeling vele miljoenen dollars kost.
Functies smeermiddel:
Primair:
- loopvlakscheiding, door het opbouwen van
een smeerfilm worden loopvlakken volledig van elkaar
gescheiden dit om slijtage en wrijving te
minimaliseren. Elk oppervlak, hoe goed ook bewerkt,
heeft een bepaalde ruwheid. Onder een microscoop
ziet een glad oppervlak er uit als de Alpen: bergen
en dalen. Zonder smeermiddel glijden bewegende
metalen onderdelen onbeschermd over elkaar, ze raken
elkaar. Door het langs elkaar bewegen ontstaat er
plaatselijk als gevolg van wrijving een zo hoge
temperatuur dat de "bergtoppen" aan elkaar
vastlassen. Door de doorgaande beweging worden de
toppen weer uit elkaar gerukt. Het resultaat is hoge
wrijving en slijtage. De kunst van goed smeren is
dit vastlassen te voorkomen.
- vorming beschermende laag, bij bijvoorbeeld
het starten of het stoppen van een motor is de
vorming van een volledige smeerfilm niet geheel
mogelijk. De achtergebleven beschermende laag van
het smeermiddel moet slijtage bij deze situaties
binnen de perken houden cq. voorkomen.
Secundair:
- warmte afvoer, warmte welke afkomstig is
van wrijving en van de verbrandingsprocessen in een
motor zullen moeten worden afgevoerd.
- corrosiebescherming, vocht kan op
loopvlakken terecht komen en in combinatie met
verbrandingsproducten kunnen ze zelfs zuren vormen
welke gemakkelijk corrosie in een systeem kunnen
vormen. Het smeermiddel dient deze vorming tegen te
gaan.
- afvoer slijtageproducten en vuil, deze
stoffen dienen zo snel mogelijk uit de contactzones
te worden verwijderd anders ontstaat er nog meer
slijtage.
- afdichting, dit is een extra ondersteunende
functie van het smeermiddel om bijvoorbeeld
zuigerveren tijdens de werkprocessen extra
afdichting te geven.
- demping, het opvangen door middel van een
smeerfilm van hinderlijke geluiden of schadelijke
trillingen in de diverse systemen.
Soorten smeermiddelen:
- mineraal, dit is de grootste groep van
smeermiddelen. Ze worden vervaardigd uit aardoliën.
Door middel van splitsing worden bruikbare
basiscomponenten verkregen en ongewenste stoffen
verwijderd.
- synthetisch, deze groep wordt via chemische
weg uit andere specifieke basisproducten
vervaardigd. Synthetische oliën worden toegepast
daar waar de minerale oliën niet aan de gestelde
eisen kunnen voldoen van bijvoorbeeld: levensduur,
temperatuurbestendigheid en viscositeitindex.
- semi-synthetisch, dit is een mengsel van
minerale- en synthetische basisoliën.
Toevoegingen/additives/dopes:
Voor 1938 werden er aan smeermiddelen geen dopes
toegevoegd en had men alleen te maken met ongedoopte
oliën. Als gevolg van steeds hogere vermogens
dichtheden voldeden de ongedoopte oliën niet meer aan
de gestelde eisen en moesten er smeermiddelen gemaakt
worden welke wel aan deze eisen konden voldoen. Dopes
worden toegevoegd om de eigenschappen die de basisolie
van nature al heeft te verbeteren of eigenschappen die
ontbreken toe te voegen.
Belangrijke soorten dopes:
- VI-verbeteraars, met name minerale oliën
hebben de eigenschap bij temperatuurstijgingen een
sterke daling te hebben in de viscositeit (= de mate
van vloeibaarheid van een olie bij bepaalde
temperaturen). VI-verbeteraars zorgen ervoor dat de
olie bij sterk wisselende temperaturen altijd de
gewenste viscositeit heeft. Dergelijke oliën hebben
een hoge viscositeitindex.
- wrijvingsverlagende dopes ook wel friction
modifiers genoemd laten een beschermend laagje
achter om zo hun werk te doen bij grenssmering, en
tijdens in bedrijf zijn zorgen ze ervoor dat de
inwendige wrijving wordt beperkt.
- anti slijtage dopes. Dit is een dope die de
contactvlakken gladder maakt bij hogere temperaturen
waardoor slijtage vermindert wordt.
- EP of anti las dopes. Bij hoge temperaturen
worden op plaatsen welke elkaar raken laagjes
gevormd waardoor de vlakken niet aan elkaar vast
lassen, dit doordat het gevormde laagje gemakkelijk
afschuift maar bij loodrechte belasting op zijn
plaats blijft.
- anti oxidanten zijn dopes die de
veroudering van de olie door oxidatie tegen gaan.
- anti corrosie dopes zorgen voor extra
bescherming tegen corrosie door vochtinwerking en de
inwerking zure verouderings- en
verbrandingsproducten.
- dispergerende en detergerende dopes. Zij
zorgen ervoor dat vuil wordt ingekapseld in kleine
delen en dat deze delen zwevend worden gehouden in
de olie. Eigenlijk de zelfde werking als een
wasmiddel zoals iedereen thuis gebruikt.
Daarnaast zijn er ook nog dopes die schuimvorming
tegengaan, waterafscheiding bevorderen, etc.
NB.: de dopes die aan de diverse oliën
worden toegevoegd hebben niet het eeuwige leven. Ze
worden verbruikt of zijn verzadigd in de loop van de
tijd. Vandaar dat smeermiddelen periodiek vervangen
moeten worden om zo smeermiddelen met nieuwe ongebruikte
dopes weer goed hun smerende werk te laten doen.
Dopes versus oldtimers:
Regelmatig krijgen wij op ons bedrijf de vraag of je
zomaar ongestraft een moderne motorolie in een oldtimer
kunt gebruiken. Het antwoord is: nee. De meeste dope
toevoegingen kunnen bij een oldtimer geen kwaad, echter
de detergerende (= vuiloplossend) dopes gooien bij een
oldtimer roet in het eten. Waarom? Motorontwerpen die
dateren voor er motoroliën met sterk detergerende dopes
waren, hielden rekening met het effectief weren van de
nadelige gevolgen van diverse verontreinigingen cq.
drab. In de motor en de carterpan werden diverse
schotten en holtes aangebracht. Sommige motoren zijn
zelfs met vernuftige drab-uitslingeronderdelen
uitgerust. De olie die naar het carter terugstroomde
werd via speciale voorzieningen geleid, waarin zich het
drab kon afzetten. De relatief drabvrije olie werd
daarna weer de motor ingepompt. De drab zette zich af
als een egale stabiele vorm van vervuiling. De diverse
fabrikanten schreven een periodieke reiniging van de
motor voor. Dit liep uiteen van demontage van de motor
tot het spoelen met een speciale spoelolie. Gaat men een
oldtimer echter smeren met een olie met een sterk
detergerende dope dan sterft de motor aan een infarct.
Het gehele oliesysteem raakt verstopt waardoor smering
van allerlei onderdelen word onderbroken met totale
motorschade als gevolg. Hoe was dit mogelijk? De
detergerende dopes doen hun werk zo goed dat motoren met
veel drab in één keer gereinigd worden. De drab komt
dan als grote en kleinere blokken los met als gevolg dat
de oliezeef en oliekanalen in het motorblok verstopt
raken. De beste en meest veilige smeeroplossing is zich
altijd aan de originele smeervoorschriften van de
fabrikant te houden.
Keuze smeermiddel:
De keuze van het smeermiddel, met gewenste specifieke
specificaties en classificaties, is de taak van de
constructeur.
Classificatie: systeem waarmee gelijksoortige
producten kunnen worden onderscheiden, zoals
bijvoorbeeld de viscositeitklassen.
Specificatie: pakket van eisen waar een
smeermiddel aan moet voldoen.
Eerst wil ik wat nader ingaan op zaken welke
betrekking hebben op de specificatie van de diverse
oliën. Zaken die hier van belang zijn zijn:
API staat voor American Petrol Institute. Deze
organisatie stelt vanaf 1947 classificatie eisen op voor
motoroliën. Zij doen dat door de oliën door middel van
laboratorium- en motortesten in klassen in te delen. De
eerste letter slaat op de brandstofsoort van de motor, M
+ S = benzine en D + C = diesel. De tweede
letter geeft een kwaliteitsniveau van de olie aan. Dit
kwaliteitsniveau wordt in hoge mate bepaalt door het
type basisolie (mineraal, semi- of synthetisch) en het
toegepaste dooppakket.
API indelingen in de tijd:
Vanaf 1947 t/m 1952: Regular (ongedoopt), Premium
(gedoopte olie voor benzinemotoren) en Heavy Duty
(gedoopte olie voor met name dieselmotoren).
Vanaf 1952 t/m 1970: Benzinemotoren: ML (ongedoopt), MM
(+ anti oxidatie dope) en MS (+ anti oxidatie en anti
slijtage dope).
Vanaf 1970 t/m heden: Benzinemotoren: SA (ongedoopt), SB
(lichte anti oxidatie en anti corrosie dope), SC
(normale anti oxidatie en anti corrosie dope), SD
(sterke anti oxidatie en anti corrosie dope), SE (=SD
met zwaardere motortesten), SF/SG/SH/SJ/SL zijn
aanduidingen voor moderne motoren van beginjaren tachtig
van de vorige eeuw.
Omdat tegenwoordig de oliën niet meer verkocht
worden met een M-specificatie onderstaand een overzicht
tussen de "oude" en de "nieuwe"
classificaties:
ML = SA
MM = SB/SC
MS = SD/SE
Tevens stelt de API kwaliteitseisen op voor
transmissieoliën. De nog geldende klassen zijn: GL-1, 4
en 5. De letters GL staan voor Gear Lubricant. De
genoemde letters houden het volgende in: 1 = licht
gedoopte olie voor lichte omstandigheden voor kegel- en
wormwielen en handgeschakelde versnellingsbakken. 4 =
olie voor tandwieloverbrengingen met hypoidvertanding
welke werken onder normale omstandigheden. 5 = als GL-4
echter voor zware omstandigheden.
Waarom kan in een gemiddelde versnellingsbak geen
motorolie?
Onderstaande geldt als de leverancier voor de
versnellingsbak een andere olie voorschrijft als de
motorolie. Bij motorolie is een van de belangrijkste
functies van het smeermiddel om de wrijving te
verlaging. Bij een versnellingsbak is een van de
functies om juist voldoende wrijving te realiseren om
bij handgeschakelde bakken het synchromesh systeem en
bij automatische bakken koppelingen en remmen goed te
laten functioneren.
Dan wil ik nu wat verder ingaan op zaken welke
betrekking hebben op de classificatie van de diverse oliën.
Zaken die hier om de hoek komen kijken zijn:
SAE staat voor Society of Automotive Engineers.
Deze organisatie heeft een systeem opgesteld inzake de
viscositeit van onder andere motor- en
transmissieoliën. Wat is eigenlijk viscositeit? De
viscositeit van een vloeistof is de mate van weerstand
van die vloeistof tegen stroming. Stroop heeft
bijvoorbeeld een hele hoge viscositeit terwijl de
viscositeit van water zeer laag is. De viscositeit van
vrijwel elke vloeistof neemt af bij toenemende
temperatuur. Een olie die bij het vriespunt zo dik is
als stroop kan bij 100° C. zo dun zijn als water. Een
maat voor de viscositeit-temperatuurafhankelijkheid van
de olie is de zogenaamde viscositeitindex (VI). Een hoge
VI houdt in dat de viscositeit van een olie relatief
weinig verandert met de temperatuur. Een goede
motorsmering vraagt om een lage viscositeit bij een
koude motor. Het olie systeem moet immers snel op druk
gebracht worden, zodat de motor makkelijk start en snel
op alle plaatsen van olie voorzien wordt. Een motor op
bedrijfstemperatuur vraagt echter om een viscositeit die
hoog genoeg is om lagers, zuigers, nokkenas, etc. goed
te kunnen blijven smeren. Kortom: een olie met een hoge
VI is gewenst.
Multigrade olie viscositeitaanduiding bestaat uit
twee delen, zoals in het voorbeeld: 5W =
wintertype olie, 30 = zomertype olie. Dus deze
olie voldoet zowel aan de SAE 5W als aan de SAE 30
klassen. Bij beide klassen wordt de kinematische
viscositeit bij 100° C. bepaald. Bij W-typen (OW, 5W,
10W, 15W, 20W en 25W) worden bovendien eisen gesteld aan
de viscositeit en de verpompbaarheid bij lage
temperaturen. Bij de SAE klassen 20 t/m 60 (zomertype
olie) worden tevens eisen gesteld afschuif stabiliteit
bij hoge temperatuur.
Bij monograde oliën wordt slechts één viscositeit
weergegeven.
Voor smeeroliën voor handgeschakelde
versnellingsbakken en eindoverbrengingen heeft de
SAE eenzelfde systeem als bij motoroliën opgezet (70W,
75W, 80W, 85W, 80, 85, 90, 140 en 250).
ATF staat voor Automatic Transmission Fluid.
Voor ATF oliën zijn geen onafhankelijke specificaties
opgesteld, wel door een aantal autofabrikanten zoals
Ford en General Motors. De gangbare types ATF olie zijn
DEXRON II en III. Binnen deze soorten zijn er ook weer
onderverdelingen gemaakt.
Een globaal verschil tussen een DEXRON II en III is dat
bij DEXRON III hogere eisen worden gesteld aan
stromingseigenschappen bij lagere temperaturen en het
stolpunt. Ook hier is het weer de constructeur die
voorschrijft aan welke eisen cq. specificaties de ATF
olie moet voldoen. Mocht een constructeur nog een ATF
type A suffix A voorschrijven dan kan hiervoor tevens
een ATF DEXRON II gebruikt worden.
Vetten:
Wat is een vet eigenlijk? Een vet is samengesteld
product, bestaande uit een basisolie (80-90%) +
additieven (2-7%) + verdikker (5-15%). Eigenlijk niet
anders dan olie welke wordt vastgehouden door een
zeepskelet. Op het moment dat smering gewenst is, a.g.v.
belasting, druk, temperatuur, etc., komt de olie vrij
uit het zeepskelet en gaat zijn smerende werk doen. Op
het moment dat geen smerende werking meer nodig is wordt
de olie weer door het zeepskelet, als een spons,
opgezogen. De verdikker bepaalt in hoge mate de
eigenschappen van het vet (temperatuurbereik,
bestendigheid tegen bijvoorbeeld water, mechanische
stabiliteit, etc.). De dikte van een vet wordt
uitgedrukt in de NLGI klasse. Deze klassen lopen van 000
(haast vloeibaar) via 00,0 (zacht), 1, 2 tot 3 (zeer
stevig, bijna hard).
Bron: Sunoco
Holland B.V.
|